Tradupolis.be

Vergilius 

Aeneïs, zang I 124-156: Neptunus stilt de storm 

Intussen merkte Neptunus dat de zee met veel lawaai in chaos veranderde, er een storm ontketende en dat het stilstaande water wegstroomde uit de diepe bodem. Hij keek uit boven de zee en stak zijn eerbiedwaardige hoof boven de golven. Hij zag dat de vloot van Aeneas uiteen geslagen was over de hele zee, en dat de Trojanen overspoeld waren door de golven en een wolkbreuk. Hij had de listen en worde van zijn zus, Juno, maar al te goed door. Hij riep Eurus en Zephyr bij zich en zei het volgende: ?Hebben jullie dan zo een hoge dunk van jullie familie? Hoe durven jullie zonder mijn toelating de hemel en aarde in chaos veranderen en de watermassa?s de hoogte in te stuwen? Ik zal ze wel straffen! Het is echter beter eerst die wilde golven te bedaren: jullie zullen een andere keer wel boeten voor jullie begane misdaden met een zware straf. Scheer jullie weg en zeg hetvolgende aan jullie koning: Het gezag over de zee en de machtige drietand is niet aan hem maar aan mij door loting gegeven is. Hij heerst over de immense rotsen, jullie huizen, winden. Daar in dat paleis met Aeolus de grote jan maar uithangen en over de gesloten kerker van de winden moet hij regeren!? Hij zij dat en zeer snel kalmeerde hij de wilde zee, dreef de bijeengepakte wolken uiteen en liet hij de zon schijnen. Cymoto? en Triton duwden samen tegen de scherpe rots en duwden de schepen weg. Hij zelf tilde de schepen op met zijn drietand en maakte een vaargeul in de gevaarlijke zandbank en bedaarde de zee nog eens . Hij scheerde over het wateroppervlak met zijn lichte wagen. Zoals bij een mensenmassa een opstand is uitgebroken, het gemeen gepeupel wild te keer gaat, de fakkels en stenen in het rond vliegen en de woede doet grijpen naar de wapens. Als ze dan een man in het oog krijgen die opvalt door zijn plichtsbewustheid en zijn, zwijgen en luisteren ze aandachtig, en met enkele woorden bedaart hij hen en sust hun gemoederen. Zo viel ook al het gedruis van de zee stil, van zodra dat de god uitkeek over het wateroppervlak en onder een open hemel rondreed. Hij mende zijn paarden en razendsnel vierde hij de teugels van zijn snelle wagen.