Tradupolis.be

Studium Novum 2 

Over de dolfijn van Hippo. (p201-204) 

Over de kunst van het leren.

Dit is een korte samenvatting

r.1-12 Quintus en Valeria krijgen in Rome les van een Griekse slaaf Alexander. Quintus vraagt aan zijn grootvader wat voor nut Grieks heeft. Grootvader antwoordt dat wijze mensen ook Grieks en Latijn leren.

Hier begint de echte vertaling (vanaf r12)

Wij leren veel door te lezen en te gaan bezoeken. Dagelijks nochtans, nadat er al weinige uren bij Alexander werd doorgebracht, liet grootvader toe met een groot hart dat Quintus samen met Celer de Stad (Rome) ging bezoeken. Hij meende immers dat niets beters was om te leren dan door te onderzoeken en te bekijken veel te leren kennen. Op zekere dag echter, nadat de zon nauwelijks was opgekomen, verliet Quintus, van plan de Stad te gaan bezoeken, reeds het huis, toen grootvader hem plots tegenhield. - Grootvader: ?Waarheen gaan jullie in zo een grote snelheid? Alexander zal jou toch zeker wel verwachten, mijn Quintus?? - Quintus: ? Hij verwacht me niet meer, beste grootvader. Hij heeft me immers laten gaan. Vandaag wil hij samen met Valeria alleen zijn, omdat hij van plan is haar enkele Griekse gedichten te leren. Hij meent dat mijn oren en mijn stem niet geschikt zijn het leren en zingen van zulke gedichten. Bovendien, omdat niet gedichten over heldendaden van goden of over de kunst van het beminnen maar verhalen van soldaten en dieren mijn aandacht opwekken, heeft hij mij een brief gegeven door Plinius geschreven. - Grootvader: ?Welke brief dan?? - Quintus: ?Over de dolfijn van Hippo. Terwijl de zon opkwam, bij het eerste daglicht, heb ik de brief al gelezen, grootvader. Het is mij zeker dan toch wel toegestaan, nadat ik de brief heb gelezen, weg te gaan?? - Grootvader: Als de zaken er zo voor staan, vertel mij alles wat je hebt gelezen.? Een waar verhaal maar zeer gelijkend op een verzonnen (verhaal) Quintus: ?Ik zal het vertellen. Plinius schreef dat hij een waar verheel maar zeer gelijkend op een verzonnen (verhaal) zal vertellen en dat dit in Hippo, in een staat van Africa, zeer dichtbij de zee, eens is gebeurd. Er is daar een plaats, waarheen mensen van alle leeftijden samenkomen (uit ijver) om vissen te vangen, te varen en ook te zwemmen, vooral kinderen die door de vrije tijd en het spel worden uitnodigd. (Actief  passief vertaald) Terwijl de kinderen zwemmen en spelen verscheen er ooit eens plots een dolfijn en hij ging tegemoet aan een zekere jongen, die nogal stoutmoediger dan de overige zich nogal diep had begeven. Zijn vrienden zagen geschrokken dat de dolfijn nu eens de jongen voorafging, dan volgde dan eens rond hem zwom, vervolgens onder hem zwom, dan weer afwierp, dan eens rond hem zwom en dan de bange jonge eerst in de diepe zee bracht en weldra hem terugbracht naar het strand. Nadat de jongen was teruggegeven aan het land en aan zijn vrienden, verspreidde het gerucht zich met ongelofelijke snelheid doorheen de staat. Niets is aangenamer dan een aangename vriend. De volgende dag, terwijl de kinderen voorzichtig zwommen en vele op het strand toekeken, kwam de dolfijn opnieuw op hetzelfde tijdstip, opnieuw naar de jongen. En deze vluchtte dadelijk met de overige. De dolfijn echter probeert hem terug te roepen om te spelen door te springen en rond te zwemmen in verschillende cirkels. Dit gebeurde de tweede dag, dit gebeurde de derde dag en nog meerdere dagen tot dat de jongens beschaamd waren om nog schrik te hebben. Tenslotte komen de andere erbij, ze roepen en ze raakten het dier aan. De jongen, die als eerste was uitgeprobeerd, zat op de rug van de dolfijn , die aangezwommen kwam, hij werd gedragen en hij werd teruggedragen, hij meende dat hij herkend en bemind werd en zelf beminde hij; geen van beiden vreest, geen van beiden werd gevreesd. Plinius schreef dat er tegelijk ook een dolfijn gekomen is, maar dat die nochtans niets gelijkaardigs gedaan heeft of ondergaan. De dolfijn echter, die met de jongen speelde, was ook gewoon op het vaste land te komen en te genieten van de zon en tenslotte in de zee terug te keren. Het staat vast dat een zekere magistraat op de dolfijn, die zo ooit eens op het strand lag, uit verkeerd begrepen religieus ontzag reukwerk heeft uitgegoten en dat de dolfijn echter geschrokken in de diepe zee is gevlucht en niet tenzij na vele dagen met zwakke gezondheidstoestand; dat hij weldra echter, nadat zijn krachten teruggekomen waren, had hij zijn vroegere spel hervat.